Pacht en fosfaat: het vervolg

10 oktober 2019  | Agrarisch recht  | Charles van Mierlo en Annemijn Dijkstra
Image

 Op 26 maart 2019 oordeelde het Pachthof te Arnhem, kort gezegd, dat de fosfaatrechten bij het einde van de pacht in beginsel voor de pachter zijn en dat slechts in bepaalde gevallen de verpachter aanspraak kan maken op fosfaatrechten (ECLI:NL:GHARL:2019:2544). Zie onze eerdere artikelen hierover:

·         https://www.gvk-advocaten.nl/?eersteuitspraakpachtenfosfaatrechtenen

·         https://www.gvk-advocaten.nl/?pachtenfosfaatrechten:letopdekleinelettertjes

·         https://www.gvk-advocaten.nl/?veelvragenfosfaatrechtenenpachtblijvenonbeantwoord&categorie=Agrarisch%20recht

Op 24 september 2019 heeft het Pachthof einduitspraak gedaan in deze procedure (ECLI:NL:GHARL:2019:7664). Vooropgesteld zij dat het hof (zoals verwacht) de lijn zoals uitgezet in de hierboven genoemde tussenuitspraak consequent voortzet.

In deze (proef)procedure was sprake van hoevepacht. Deze hoevepacht werd beëindigd omdat de pachter in 2017 stopte met zijn melkveehouderijbedrijf. Dat nam niet weg dat de pachter per 1 januari 2018 de fosfaatrechten toegekend kreeg. ASR maakte vervolgens aanspraak op een deel (van de waarde) van die fosfaatrechten, rekening houdende met de korting van 10%. Het hof oordeelde in maart 2019 reeds dat die aanspraak in beginsel terecht was. In het vervolg van de procedure probeert de pachter het hof op andere gedachten te brengen.

In deze zaak had de vader van de pachter in het verleden het bedrijf aan ASR verkocht en vervolgens teruggepacht, waarbij hij de stalinrichting en de melkinstallatie niet had mee verkocht. De pachter stelt dat, om die reden, ASR geen recht heeft op overdracht van (een deel van) de fosfaatrechten (althans: de waarde daarvan). Het hof is het daar niet mee eens. Het hof blijft erbij dat er een bedrijf, geschikt voor de uitoefening van de melkveehouderij, verpacht is. Dat wordt o.a. gebaseerd op dat het bedrijf, ten tijde van de verpachting, op onderdelen geschikt gemaakt was voor de melkveehouderij. De verpachte hoeve was volgens het hof dan dus ook van overwegend belang voor het bedrijf van de pachter.

In dit geval was er sprake van dat de pachter een deel van het gepachte (gebouwen en grond) kocht. Niettemin oordeelde het hof dat de verpachter recht heeft op (een deel van) de fosfaatrechten. Het einde van de pachtovereenkomst blijft namelijk het ijkpunt. Wat de verpachter vervolgens doet, zoals in dit geval een deel van het gepachte doorverkopen aan de oorspronkelijk pachter of het geheel opnieuw in pacht uitgeven, is niet relevant. Net zo min of ASR nadien de fosfaatrechten mee overdraagt aan een koper of nieuwe pachter. Dat is een kwestie van onderhandeling.

Verder achtte het hof het niet relevant dat de pachter in 2007 20.000 kg melkquotum had aangekocht. Niet alleen aan de kant van de pachter, maar ook aan de kant van de verpachter waren er investeringen gedaan. Deze investeringen waren niet uitzonderlijk en brengen in ieder geval niet mee dat anders moet worden gedacht over de overdracht van de fosfaatrechten en de omvang van de vergoedingsplicht. 

Conclusie: de vorderingen van ASR zijn toegewezen. Dat wil zeggen dat ASR aanspraak kon maken op overdracht van alle de aan pachter toegekende fosfaatrechten, in dit geval 2.365 kg, tegenover de verplichting van ASR de helft van de waarde daarvan te vergoeden. In dit geval hadden partijen de waarde van de fosfaatrechten onderling reeds vastgesteld.

Overigens staat het partijen nog vrij cassatie in te stellen en de zaak voor te leggen aan de Hoge Raad.

Onze reactie op dit arrest is als volgt.

Het hof volgt een strakke lijn die weinig ruimte overlaat voor uitzonderingen of afwijkingen. Zo leiden wij uit deze uitspraak af dat een verpachter bij het einde van de pacht niet verplicht is de melkveehouderij ter plaatse voort te zetten, maar de vrije hand heeft in bijvoorbeeld verkoop of het uitgeven van de fosfaatrechten ten aanzien van een andere (pacht)locatie.

Aan de kant van de pachters zal dit aanleiding geven tot kritiek omdat toch één van de rechtvaardigingsgronden om de fosfaatrechten aan de pachter toe te kennen gelegen is in de omstandigheid dat bij overdracht aan een derde, de hoeve niet langer aangewend kan worden als melkveehouderijbedrijf. Het hof vindt dit laatste blijkbaar niet van belang.

Deze praktijk kennen we nog uit de tijd van het melkquotum, toen hadden verpachters die verplichting ook niet.

Een ander opvallend aspect is het feit dat het hof geen afwijking van de hoofdregel accepteert, gelet op de pachtersinvestering, in dit geval 20.000 kg melkquotum. Men zou hier tegenin kunnen brengen dat nu juist die investering van de pachter bijgedragen heeft aan de hoeveelheid fosfaatrechten die aan de pachter per 1 januari 2018 is toegekend. Mogelijk dat het hof hier anders over denkt wanneer de pachtersinvesteringen veel omvangrijker zijn.

In deze zaak kocht de pachter een deel van het gepachte (gebouwen en grond). Uit de uitspraak blijkt niet of pachter al dan niet gebruik maakte van zijn voorkeursrecht van koop.

De rechtspraak in het geval van melkquotum was dat een pachter, in het geval hij gebruikmaakt van zijn voorkeursrecht van koop, slechts voor 25% hoefde af te rekenen. Uit de uitspraak kan niet worden afgeleid wat de visie van het hof op dit punt is en of dit ook geldt in het huidige systeem van fosfaatrechten.

Meer weten? Neem contact op met:

Charles van Mierlo of Annemijn Dijkstra,

kantoor Zwolle

Tel: 088-888 66 50

Contact

Utrecht

Wolter Heukelslaan 74
3581 SV
Utrecht

030 - 231 66 31

utrecht@gvk-advocaten.nl

lees meer

IJsselstein

Utrechtsestraat 5
3401 CS
IJsselstein

030 - 688 68 68

ijsselstein@gvk-advocaten.nl

lees meer

Zwolle

Zwartewaterallee 14
8031 DX
Zwolle

088 - 888 66 50

zwolle@gvk-advocaten.nl

lees meer